onbekend

De kindbarende man uit Vladslo

"Eene zonderlinge gebeurtenis uit 1352"




Het Historisch Fonds van de Openbare Bibliotheek Brugge bewaart onder signatuur B121 een boekje van 57 bladzijden in 12° getiteld "Kint-baerenden MAN",
en gedrukt in 1732 door de Brugse meester-drukker Jacobus Beernaerts.


De auteur is Philippus Jongerijcx, afkomstig uit Duinkerke, pastoor te Koolkerke bij Brugge (1693-1700) en voorheen (1664-1693) te Vladslo bij Diksmuide.

De fascinerende historie over een man die een kind baart, de vlotte, volkse schrijfstijl en de toegevoegde liedjes verklaren de populariteit van dit werkje.
Kind-baerenden man speelt zich af in Vladslo in 1352.
Het is het moraliserende verhaal in dichtvorm over ene Lodewijk Rosseel, die “al te veel hield van zyn keel en al te luttel van zyn vrouw”, meer in de herberg zat dan thuis, en meer geld uitgaf aan drinken en dobbelen dan aan eten voor zijn gezin.

Op een dag zoekt zijn vrouw Elizabeth hem in barensnood op in de kroeg.
Hij weigert met haar mee te gaan, spot met haar volgens hem geveinsde barenspijn en wenst zelfs dat, als het allemaal zo erg is, hij zelf die pijn zou mogen voelen.
Een maand later sterft de vrouw.
Kort daarna wordt Rosseel ziek en hij merkt dat zijn rechterdij steeds dikker wordt.
In angst en pijn betreurt hij zijn gedrag, en zweert het herbergbezoek af.

Na de gestelde tijd wordt uit zijn dij “enen knaepelyken sone” gesneden, die 15 dagen blijft leven en ondertussen “Hansken” gedoopt wordt.
Bij zijn overlijden in 1354 wordt Lodewijk Rosseel naast Hansken voor de kerk te Vladslo begraven.

De kern van het verhaal is historisch.


De feiten stonden zeker in 1620 genoteerd in het kerkregister van Vladslo, wellicht op basis van een reeds bestaand document.
Het kerkarchief van Koekelare bewaart een eensluidende kopie.
Het betreft Loonis Rosseel (+17.06.1354), zijn vrouw Elizabeth met wie het echt niet boterde, en de in 1352 “uit zijn dij” geboren Loonis of Loonken.
Rosseel aanzag het “schijnkind” als een straffe Gods, een visie die gretig door de Vladslonaren werd opgepikt en de legende was geboren.
Zij werd aangedikt tot de proporties van een mirakel, waarbij zelfs de namen in de loop der eeuwen veranderden.
Tot lafenis van zijn zonden schonk Loonis Rosseel een stuk grond met eeuwige fondatie aan de kerk van Vladslo.

Na zijn dood op 17 juni 1354 werd hij naast zijn vrouw in de kerk begraven.
De gebeurtenissen worden door verschillende auteurs naar waarheid vermeld, o.a. door de jezuïet Heribertus Rosweydus in zijn Generale Kerckelijke Historie, II, p. 157 (1622), en in de Flandria Illustrata, deel III, van Antonius Sanderus (1641) en in de Nederlandse vertaling ervan uit 1732.

De legende werd ontraadseld door Dr. Karel de Gheldere, die zich rond 1900 in de materie vastbeet.
Hij komt tot de conclusie dat de “knaepelyken sone”, geboren uit de dij van Loonis Rosseel, geen baby of zelfs geen (onvolgroeide) foetus was of kon zijn.
Het gaat, zo stelt hij na wetenschappelijk onderzoek van de feiten, de legende en gelijkaardige fenomenen, om een eeneiige tweeling (“uniovulaire zwangerschap”) waarvan één van de embryo’s zich in een zeer vroeg stadium innestelt in de andere, daar onvolgroeid afsterft, en bij de geboorte van de levensvatbare andere helft van de tweeling, in het lichaam daarvan aanwezig blijft en er in sommige gevallen door afgestoten wordt.

Niet zonder sarcasme wijst De Gheldere op de “theologanten” die zich de hersenen pijnigden over de vraag of Loonken Rosseel “besmet was met de erfzonde” (neen), en of hij gedoopt moest worden (ja) om gerust te kunnen zijn over zijn lot in het hiernamaals…

Een stukje uit dit gedicht:

"En t' elken dag al zyn gewin
Flux (= onmiddellijk) speelde(= uitgaf) met een glaesken in:
De kaerte die was zyn getouw
Tot spyt en leed van zyne vrouwe:
De Herberg was zyn hemelryk,
En daer was niemant zyns gelyk
In sweeren, vloeken, vegten, slaen,
En met den Teerlynck om te gaen;
Hy was een meester in het quaed,
Een leerling in een goede daed,
Zyn beste ambagt was het spel,
Zyn eygen huys dat was de hel ...
(...)
En als dees man op t' meeste lough
By het gheselschap in den krough,
En als hy bolde langhst de baen,
En daer schier kraeyde als een haen,
Door dien hy 't alles had verteert,
Soo hiel de vrauw een kouden eert,
En sat en kreet in haeren noodt,
Want sy was dickwils sonder broodt,
En sonder gheldt en sonder smout,
En schier half nackt, en sonder hout.
(...)
Hy walgt, hy spuygt, hy braekt, hy geeuwt,
En nog daer by zeer dikwijls schreeuwt;
Hy weet niet wat'er aen hem schort,
Het schynd zyn een been korter word.
Hy kan niet meer naer d'herberg gaen,
En dat heeft hem zyn Dye gedaen,
Die wordt gedurig aen zoo dik,
Zoo dat men krygt in 't lyf een schrik ...
(...)
Gy dronckaers leert uyt dit gheval
Hoe schromelyck Godt straffen sal
Dat ghy door t' Bier en Brandewyn
Verbeelt hebt t' leven van een swyn.

  • Een uitvoeriger bespreking van deze toch wel merkwaardige gebeurtenis over ene "Rosseel" vind je op deze link!


  • Navigatie

    Wij wensen u een aangenaam en leerrijk verblijf.